january 29, 2012 03:22pm
Holocaust en de beschaving
Trouw drukte zaterdag 28 januari twee uitstekende lezingen af. De ene werd gehouden door de Pools-Britse socioloog Zygmunt Bauman en de andere door de Amerikaanse socioloog Christopher Browning.
De lezing van Browning werd door Trouw weergegeven onder de kop "Van huisvader tot massamoordenaar". Browning deed onderzoek naar wat de mannen van het Reserve-Polizeibatallion 101 ertoe bewoog om in 1942 in het Poolse dorp Jozefow op grote schaal joodse vrouwen, kinderen en bejaarden met een nekschot af te maken. Het onderzoek is te meer belangrijk omdat het heel gewone, wat oudere mannen waren, geen afgerichte militairen. Hoewel de majoor van het bataljon de mannen verzekerde dat er geen maatregelen tegen hen genomen zouden worden als ze niet aan de moordpartij wilden meedoen, waren er maar van 12 van de 500 die weigerden mee te doen. Browning schreef er in 1992 een boek over: Ordinary Men. Voorzover ik weet, niet vertaald helaas. De lugubere conclusie van het onderzoek is dat wat de mannen ertoe bewoog mee te doen aan wat zij walgelijk vonden voor de meesten gewoon was dat ze niet wilden weigeren te doen wat 500 mannen wel bereid waren te doen. En het gaandeweg ook minder walgelijk begonnen te vinden. Het verhaal sluit erg aan bij Daders van Harald Welzer en bij Het Lucifereffect van Zimbardo, waarin deze soortgelijk gedrag beschrijft van Amerikaanse soldaten in de Abu Ghraib-gevangenis (http://nl.wikipedia.org/wiki/Abu_Ghraib-gevangenis). De gedachte die onvermijdelijk bij je opkomt bij het kennisnemen van deze onderzoeken is dat, als er maar zo weinig voor nodig is om gewone mensen te bewegen om te moorden en te martelen, dat er dan in een moderne bureaucratie nog veel minder voor nodig is om ambtenaren aan te zetten tot allerlei vormen van gesjoemel en niet-integer gedrag. Denk aan de ambtenaren van VROM en SenterNovem, die zich schuldig maakten aan valsheid in geschrifte bij het verlenen van de vergunning voor het asbestschip Otapan om naar Turkijke gebracht te worden voor de sloop, waarvoor ze overigens niet worden vervolgd.
De lezing van Zygmunt Bauman stemt tot nog veel meer somberheid. Hij is de auteur van De moderne tijd en de holocaust. Zijn conclusie is dat de holocaust geen terugval in de beschaving is, maar juist een product van onze moderne beschaving. Zijn betoog komt er heel kort gezegd op neer dat mensen nog niet zo veel kwaad kunnen doen zolang ze alleen nog maar over knuppels beschikken, maar dat je je bergen moet als ze de beschikking krijgen over moderne techniek en modern bestuur en management. Die geven immers grenzeloze mogelijkheden om macht over mensen uit te oefenen en mens en milieu te vernietigen. Denken dat zoiets als de holocaust niet meer kan voorkomen en dat de techniek er wel voor zal zorgen dat het nog wel goed komt met de wereld is dwaasheid. Autoriteiten moeten meer dan ooit in de gaten gehouden worden, volgzaamheid en onverschilligheid is spelen met vuur.
june 02, 2011 10:58pm
Andreé van Es, in de 80-er jaren voorvrouw van de PSP en GroenLinks, daarna opgeklommen tot directeur-generaal bij Binnenlandse Zaken en nu wethouder in Amsterdam voor burgerschap en diversiteit, breekt een lans voor hoffelijkheid. "Geen burgerschap zonder hoffelijkheid" heet het in de brief die zij daar 12 mei 2011 over schreef aan de gemeenteraad. "Welkom in het conservatieve kamp!" juicht Bart Jan Spruyt van de conservatieve Edmund Burke stichting. "Goed idee, Andrée!" twittert Ineke van Gent, Tweede Kamerlid van GroenLinks. Dus heb ik de brief van Van Es van 13 kantjes van internet geplukt en bestudeerd.
Waar het Van Es eigenlijk om gaat, is "verbondenheid versterken en verruwing tegen gaan". Dat moet dan gebeuren door de gemeenschappelijke basis te versterken van mensen met een verschillende achtergrond, bevorderen dat iedereen mee kan doen en verantwoordelijkheid kan nemen voor zichzelf en voor zijn omgeving, zorgen dat minder mensen zich onveilig voelen door het gedrag van anderen, een betere samenwerking tussen burgers en overheid en het versterken van grootstedelijke competenties. Wat het in zo'n brief natuurlijk goed doet, is een citaat van de Amerikaanse filosoof John Rawls. Volgens de liberale Rawls brengt het ideaal van burgerschap de morele plicht van hoffelijkheid met zich mee.
Het meest bekend is John Rawls van zijn Theory of Justice (1972). Daar had Van Es beter uit kunnen citeren. Volgens Rawls hoeft sociale en economische ongelijkheid niet onrechtvaardig te zijn, als daardoor ondernemerszin en inventiviteit wordt aangemoedigd, waar iedereen van profiteert. Maar die ongelijkheid mag er niet op uitdraaien dat mensen zich ten koste van anderen verrijken en helemaal niet ten koste van de armsten. Dat een rechtvaardige samenleving, waarin de sterksten zich niet verrijken ten koste van de ongefortuneerden, de basisvoorwaarde is voor een vreedzame en hoffelijke samenleving, is een opvatting die je in de brief van Van Es tevergeefs zult zoeken. Woorden als ongelijkheid, gerechtigheid, rechtvaardigheid komen in de brief niet voor. PSP-ers en GroenLinksers van het eerste uur, Bram van der Lek, Marcus Bakker, Andrée van Es, ze zouden er geen goed woord voor over hebben.
Hoe kun je hoffelijkheid verwachten van mensen die vies en zwaar werk moeten doen voor een hongerloon? Van mensen die daardoor in de wao terechtkomen en voor profiteurs worden uitgemaakt. Of van alleenstaande moeders die gekort worden op hun uitkering omdat ze vinden dat ze thuis moeten zijn als hun kleuter uit school komt. Van gehandicapten die niet meer zelfstandig kunnen wonen doordat hun hulp of pgb wordt wegbezuinigd. Van vmbo-leerlingen die geen praktijklessen krijgen omdat er geen geld is voor gekwalificeerde praktijkleerkrachten. Van jongeren die eindeloos kunnen solliciteren, maar geen baan krijgen omdat ze een marokkaanse achternaam hebben, met mosquito's van straathoeken worden verjaagd en met straatcamera's in de gaten worden gehouden. Van woningzoekenden die tien jaar moeten wachten omdat in alle steden goedkope sociale huurwoningen worden gesloopt en vervangen door koopwoningen. Van de mensen uit de laagste inkomensgroep die er sinds 1980 5% op achteruit is gegaan, terwijl de hoogste inkomensgroep (> 100.000 euro) er 60% op vooruit is gegaan.
Wat voor reden hebben al deze achtergestelde en gediscrimineerde mensen om hoffelijk te zijn tegen mensen die een zorgeloos bestaan hebben, zich wel druk maken om verruwing van omgangsvormen maar onverschillig zijn over het lot van mensen die het slecht hebben?
april 27, 2011 03:52pm
Bijstandsmoeder met kind moeten 24 dagen honger lijden.
Ik herinner mij een zaak, waarbij 4 februari 2009 's middags om 15.42 uur een verzoek van de gemeente Utrecht om een voorlopige voorziening bij de rechtbank binnenkwam en dat meteen de volgende dag een zitting plaatsvond (Majellaknoop SBR 09/249). Zes dagen later deed de rechtbank uitspraak in het voordeel van de gemeente. Vlotte bediening dus. Een voorlopige voorziening kan worden getroffen als het om een kwestie gaat die zo spoedeisend is dat niet gewacht kan worden op het besluit op bezwaar of op de behandeling van het beroep.
In de zaak die ik mij herinner vernietigde de Raad van State op 24 december 2008 een besluit van de gemeente, zodat de gemeente opnieuw een besluit moest nemen. Daarvoor had de gemeente 6 weken de tijd. Dat betekent dat er uiterlijk 4 februari een nieuw besluit genomen had moeten worden. De gemeente had dat besluit niet genomen, maar had in plaats daarvan een voorlopige voorziening gevraagd om niet op haar eigen besluit te hoeven wachten.
De rechter, mr. B.J. van Ettekoven, had natuurlijk kunnen zeggen "Wat is nu de spoedeisendheid in uw zaak? Zodra u als de gemeente dat besluit neemt, kunt u aan de gang". Dat zei de rechter niet, hij had er alle begrip voor dat de gemeente geen tijd had om dat besluit te nemen en toch alvast aan de gang wou.
Wat dit voorbeeld laat zien is dat de rechtbank Utrecht soms heel erg ver gaat om een gemeentebestuur te hulp te schieten. Op 4 februari kwam het verzoek binnen, binnen 24 uur vond de zitting plaats en binnen 6 dagen werd uitspraak gedaan in het voordeel van de gemeente.
Nu het geval van mevrouw M. Geen gemeente, maar een bijstandsmoeder. Op 5 april 2011 vroeg ik een voorlopige voorziening aan omdat een gemeente in de regio haar bijstandsuitkering had gekort met 40%. Het gevolg van de strafkorting was dat mevrouw M niet eens genoeg geld had om de huur te betalen, laat staan om eten te kopen voor haar zelf en haar kind van 5. De voorlopige voorziening vroeg ik omdat mevrouw niet kon wachten op de behandeling van haar bezwaarschrift, want daar mag een gemeente met een bezwaarschriftencommissie 12 weken over doen.
Je zou denken als de rechtbank binnen 24 uur een zitting houdt op verzoek van een gemeente, dan zal de rechtbank dat ook wel willen doen voor een bijstandsmoeder die door een strafkorting geen geld meer heeft om haar huur te betalen en eten te kopen voor haar zelf en haar kind.
Wie zo denkt, kent de rechtbank Utrecht niet. Op 12 april, na veel bellen, ontving ik een uitnodiging voor een zitting voor 29 april. Met andere woorden: mevrouw en haar kind van 5 konden wat de rechtbank Utrecht betreft 24 dagen honger lijden. Misschien nog wel langer, want waarom zou zo'n rechtbank meteen uitspraak doen?
april 25, 2011 01:31pm
Mevrouw R is inburgeringsplichtig. De gemeente Utrecht biedt standaard een contract aan van een jaar. Maar omdat dat meestal niet genoeg is, is verlenging mogelijk. Mevrouw R wilde voor die verlenging in aanmerking komen. Ze werd daarvoor echter geweigerd omdat ze (net) zwanger was. Ze moest maar terugkomen als de zwangerschap voorbij was. Een onderbreking van vier maanden in verband met zwangerschap is te veel om de cursus succesvol af te sluiten, aldus de gemeente.
Een vreemd argument, want ook als je hoogzwanger bent, kun je nog best naar een cursus. Omdat het om een verlenging ging van een half jaar, had mevrouw R die bovendien kunnen afronden enige maanden voordat ze uitgerekend was. Belangrijker is overigens de principiële vraag: mag een vrouw die inburgeringsplichtig is door de gemeente geweigerd worden voor een cursus omdat ze zwanger is?
Een werkgever zou het niet in zijn hoofd halen om een vrouw een arbeidsovereenkomst te weigeren met het argument dat ze zwanger is. Zwangerschapsdiscriminatie is sinds 1980 bij wet verboden. Het is in strijd met het Verdrag inzake de Uitbanning van alle Vormen van Discriminatie van Vrouwen, kortweg het 'Vrouwenverdrag'. Als zwangerschap geen reden mag zijn om een arbeidsovereenkomst te weigeren, mag het dan wel een reden zijn om een inburgeringscursus te weigeren?
march 11, 2011 04:56pm
Geachte heer Geldof,
Met verbazing heb ik kennis genomen van de mondelinge vragen die door de VVD zijn gesteld over de weigering van Nourdin Belhadi vrouwen de hand te schudden. Ik begrijp niet waarom de VVD daarin een aanleiding ziet om vragen te stellen over de subsidie die aan Jongeren in Actie wordt gegeven.
Laat ik vooropstellen dat ik een principieel tegenstander ben van subsidies. Het verenigingsleven deed het 50 jaar geleden zonder subsidies en er was meer betrokkenheid en vrijwilligheid dan nu. Vanaf het moment dat de overheid vrijwilligerswerk ging subsidiëren en met welzijnswerk ging ondersteunen, is het bergafwaarts gegaan met de participatie van de burger. Bovendien schept de subsidie afhankelijkheid van de overheid (d.w.z. van de dominante politieke partij in een stad), waardoor burgers zich minder kritisch gaan uiten uit angst subsidie te verspelen. Met name bij migrantengroepen is dat iets wat voorkomen moet worden. Subsidie is de beste manier om te voorkomen dat migranten voor zichzelf en voor hun eigen culturele identiteit opkomen. Meer in het algemeen is subsidie een effectieve manier om burgers in te palmen en ze te bewegen overheidsbeleid te aanvaarden waar ze het eigenlijk niet mee eens zijn. U begrijpt dat ik daar als kritisch burger niets van moet hebben. Overigens heeft afschaffen van subsidies ook nog het voordeel dat er flink gesnoeid kan worden in het ambtenarenapparaat, want voor de toekenning van subsidies moet beleid worden gemaakt, moeten aanvragen worden beoordeeld, jaarrekeningen beoordeeld worden en ga zo maar door. Ik ben net als de VVD voor een kleine overheid.
Waar ik mee zit, is uw standpunt over de weigering van Belhadi om vrouwen een hand te geven én dat u naar aanleiding dáárvan vragen stelt over de subsidie die aan Jongeren in Actie wordt gegeven.
Aan het Liberaal Manifest 2005 ontleen ik het volgende citaat:
Wij verlangen dus niet van immigranten dat zij onvoorwaardelijk alle gewoontes, waarden en kenmerken van Nederlanders overnemen. Zelf zijn wij wellicht trots op onze soberheid, eerlijkheid en vrijzinnigheid, maar op buitenlanders en binnenkomers komen deze eigenschappen vaak over als krenterigheid, botheid en zedeloosheid. Evenmin zal iemand – en een liberaal zeker niet – aan immigranten Hollandse eet- en kleedgewoontes willen opleggen. Wat wij wel onvoorwaardelijk van immigranten kunnen en moeten verlangen is naleving van de kernnormen en aanvaarding van de kernwaarden van onze moderne samenleving. Dan betreft het zaken als: de grondwet en de rechtsstaat, de vrijheid van het individu, de gelijkwaardigheid tussen man en vrouw, het non-discriminatiebeginsel, de vrijheid van meningsuiting, tolerantie en het geweldsmonopolie van de staat. Dit zijn de voorwaarden waaronder een moderne samenleving van vrije burgers kan functioneren. Deze voorwaarden zijn echter niet typisch Nederlands. Andere westerse democratieën kennen ze ook – in zeer vergelijkbare patronen. Met deze fundamentele zaken mag van de VVD niet worden gemarchandeerd.
Elke redelijk denkend mens kan zich, lijkt mij, helemaal vinden in deze passage uit het Liberaal Manifest 2005. Mijn retorische vraag aan u is: behoort het schudden van handen nu tot de 'kernnormen' van onze moderne samenleving? Of gaat om gewoontes, waarvan het Liberale Manifest vindt dat immigranten die niet onvoorwaardelijk hoeven over te nemen? Voorbeelden van kernnormen en kernwaarden zijn volgens het Liberaal Manifest de vrijheid van het individu, de gelijkwaardigheid tussen man en vrouw, het non-discriminatiebeginsel, vrijheid van meningsuiting, tolerantie en het geweldsmonopolie van de staat. U zult het toch met mij eens zijn dat het schudden van handen iets is wat niet in dat rijtje thuis hoort. Dat zou alleen maar anders zijn als Belhadi vrouwen geen hand gaf omdat hij vrouwen minderwaardig vindt. U weet natuurlijk dat er ook moslima zijn die vanwege hun geloof mannen geen hand geven. Het niet schudden van handen beoogt i.c. niet tot uitdrukking te brengen dat de ene sexe meer of minder waard is dan de ander, maar het is religieus gefundeerd: mannen en vrouwen behoren elkaar gewoon geen hand te geven. Deze religieuze opvatting treft men ook aan bij orthordoxe stromingen in het jodendom en het boeddhisme. Vrouwen en mannen zitten ook in een synagoge niet door elkaar heen en ook dat heeft niets te maken met ongelijkwaardigheid. Omdat het niet-handenschudden tussen mannen en vrouwen niet bedoeld is om ongelijkwaardigheid tot uitdrukking te brengen, valt niet in te zien waarom het zou botsen met kernwaarden in onze samenleving. Sterker nog, juist omdat geloofsvrijheid en individuele vrijheid zulke prominente waarden zijn in onze samenleving, valt helemaal niet in te zien waarom er geen ruimte zou zijn voor mensen die op grond van hun geloof mensen van het andere geslacht op een andere manier willen begroeten.
De vraag of wij het handenschudden tussen mannen en vrouwen al of niet moeten beschouwen als een 'kernnorm' in onze samenleving kan ook op een heel praktische manier beantwoord worden. Zou onze samenleving in het honderd lopen als mannen en vrouwen elkaar geen hand geven of als wij het aan mensen zelf overlaten of zij iemand een hand willen geven of niet? Kernnormen- en waarden hebben altijd een functie, handenschudden heeft nauwelijks een functie. Ik ben ervan overtuigd dat onze samenleving gewoon blijft functioneren als er wat meer variatie zou zijn in de manier waarop mensen elkaar begroeten: een knikje met het hoofd, de hand opsteken of een hand geven. Waar het bij een begroeting om gaat, is dat mensen laten zien dat ze met elkaar in communicatie treden. Welk gebaar ze daarvoor gebruiken, is bijzaak.
Bent u het, gelet op de argumenten die ik aandraag, niet met mij eens dat u ontzettend overdrijft door het handengeven te omschrijven als een van "de meest elementaire omgangsvormen"? Ik zou honderden omgangsvormen kunnen noemen die voor een goede samenleving van veel meer belang zijn. Dat mensen eerlijk zijn, hun beloften nakomen, elkaar helpen, fatsoenlijk antwoord geven als ze wat gevraagd wordt, ontvankelijk zijn voor redelijke argumenten, gelegenheid geven aan voetgangers om rustig over te steken, van een anders eigendommen afblijven, niet toeteren of schelden in het verkeer, op tijd op een afspraak zijn, rekening houden met het belang van een ander en niet alleen aan zichzelf denken, geen rommel op straat gooien. Als mensen dat allemaal zouden doen, maar ze zouden geen handen geven, zou de wereld per saldo een stuk aangenamer zijn. Is het uit een oogpunt van integratie niet veel belangrijker dat allochtonen en autochtonen zich houden aan elementaire omgangsvormen die er wél toe doen, waar ik een aantal concrete voorbeelden van heb gegeven. Met andere woorden: waarom maakt u zo'n drukte over dat handenschudden en waarom is het voor een geslaagde integratie zo belangrijk dat mensen de hand schudden van iemand van de andere sexe? En moet de vraag of een club als Jongeren in Actie wel of niet aan integratie bijdraagt beoordeeld worden aan de hand van het criterium handenschudden of aan de hand van de door mij genoemde elementaire omgangsvormen die veel relevanter zijn voor het samenleven?
Vindt u niet dat u als liberaal juist verdraagzaamheid zou moeten bepleiten, de ruimte voor elk individu om naar eigen zeden en gewoonten te leven. In het verkiezingsprogramma van de VVD uit 1981 trof ik nog een hartverwarmende passage aan: bevorderen van de ontvankelijkheid van onze samenleving voor zeden en gewoonten van buitenlanders en omgekeerd. Als ik u was, zou ik lieden die het niet-handenschudden door Belhali aangrijpen om weer eens lekker op buitenlanders te kunnen kankeren aan Wilders en de PVV overlaten en op een waardige manier de echte liberale beginselen uitdragen.
Beste meneer Geldof, u hoeft mij geen hand te geven. Ik vind het veel elementairder dat u als politicus en raadslid de moeite neemt mijn brief te beantwoorden en serieus op mijn argumenten in te gaan.
Kees van Oosten
march 10, 2011 03:05pm
Met het Besluit luchtkwaliteit 2001 werd de Europese Richtlijn 1999/30 "geïmplementeerd" in de Nederlandse wetgeving. Dat is 10 jaar geleden. Volgens de Europese Richtlijn en het Besluit luchtkwaliteit 2001 zou in 2005 overal aan de fijnstofnorm en in 2010 overal aan de norm voor stikstofdioxide (NO2) moeten worden voldaan. Het meest tastbare resultaat van 10 jaar luchtkwaliteitsbeleid is dat er van de oorspronkelijke doelstellingen en regelgeving niets meer over is en dat lucht sinds 1999 op papier schoner is geworden, maar in werkelijkheid smeriger wordt.
Een besluit om een milieuvergunning of bouwvergunning te verlenen of een bestemmingsplan vast te stellen zou volgens de oorspronkelijke regelgeving alleen maar genomen mogen worden als daardoor het tijdig voldoen aan de fijnstof- en stikstofdioxidenorm niet in het gedrang komt. Zoals bekend heeft Nederland uitstel gevraagd en gekregen, zodat pas in 2011 aan de fijnstofnorm en in 2015 aan de norm voor NO2 hoeft te worden voldaan. Dat uitstel is nog niet het ergste. Het ergste is dat de normen waaraan de lucht moet voldoen door milieudeskundigen en -juristen in opdracht van de overheid zo zijn aangepast dat verontreinigde lucht als schone lucht kan worden aangemerkt.
Om de kwaliteit van de lucht te meten of te berekenen moet volgens de regelgeving de concentratie fijnstof en stikstofdioxide (NO2) worden vastgesteld op representatieve punten langs een weg. De Europese Richtlijn 1999/30 bepaalde dat dat voor fijnstof moest gebeuren op een punt langs de rooilijn en voor NO2 op een punt op maximaal 5 meter van de rand van de weg. Voor beide stoffen geldt dat de concentratie afneemt naarmate de afstand tot de bron (het autoverkeer) groter wordt. Automobilisten konden dus meteen al de moord stikken, want de normen waren en zijn niet van toepassing op de concentraties fijnstof en NO2 op de rijweg (en in tunnels).
Afstand tot de rand van de weg
Het 'Meet- en rekenvoorschrift bevoegdheden luchtkwaliteit' (23 oktober 2006) schrijft voor dat de concentratie NO2 op 5 meter van de rand van de weg moet worden bepaald en de concentratie fijnstof op maximaal 10 meter. In de gewijzigde Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 wordt echter ook voor NO2 een maximale afstand voorgeschreven van 10 meter van de rand van de weg. Of de concentratie NO2 gemeten of berekend wordt op een afstand van 5 meter of van 10 meter van de rand van de weg scheelt een flinke slok op de borrel. Omdat de concentratie NO2 aanvankelijk op een afstand van 5 meter werd bepaald en sinds de wijziging van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 op 10 meter, is de verbetering van de luchtkwaliteit (NO2) van de laatste jaren een schijnverbetering.
Zeezoutaftrek
De Europese Richtlijn 1999 schreef voor fijnstof een jaargemiddelde voor van maximaal 40 microgram/m3. Het Besluit luchtkwaliteit 2005 liet echter een aftrek toe i.v.m. zeezout. De luchtkwaliteitsexperts van VROM kwamen namelijk op het idee de Richtlijn zo uit te leggen dat fijnstof dat van nature in de lucht zit (zeezout) niet meegeteld hoefde te worden. In steden als Amsterdam en Utrecht mocht daarom 5 á 6 microgram/m3 afgetrokken worden: de zeezoutaftrek. Het resultaat was dat ineens vrijwel overal aan de norm voor fijnstof kon worden voldaan. Ook dat betekende dus geen echte verbetering van de luchtkwaliteit. Sterker nog, het betekende een verslechtering, want de plaats van het relatief onschuldige zeezout in het voorgeschreven maximum van 40 microgram/m3 wordt nu ingenomen door giftiger stoffen. De zeezoutaftrek doet denken aan de man die aan alcohol verslaafd is en te horen krijgt dat hij maar één glas sterke drank per dag mag nuttigen, waarop hij besluit om alleen nog maar één glas onverdunde alcohol per dag in te nemen.
Saldering
Het Besluit luchtkwaliteit 2005 bracht nog meer versoepeling door het salderen toe te staan. Salderen houdt in dat een project (bijvoorbeeld een wegverbreding) tot extra overschrijding van de norm mag leiden, als daar (door de realisering van dat project) een verbetering in andere straten tegenover staat. Het klassieke voorbeeld is de rondweg. Langs de nieuwe rondweg kan sprake zijn van een verslechtering van de luchtkwaliteit, maar daar staat een verbetering tegenover in de woonwijk waar het doorgaande verkeer dan niet meer door hoeft. Een redelijke gedachte, maar in de praktijk leidt dit salderen tot uiterst gekunstelde en ondoorzichtige berekeningen, die aannemelijk moeten maken dat extra rijstroken, ongelijkvloerse kruisingen en tunnels de lucht per saldo verbeteren.
Geen extra overschrijding
Het Besluit luchtkwaliteit 2005 versoepelde nog verder door aan een project niet meer als eis te stellen dat de norm per saldo niet zou worden overschreden, maar slechts de eis te stellen dat de overschrijding van de norm niet verder zou toenemen. Stel dat er zónder de aanleg van een tweede Coentunnel met sint juttemis sprake zou zijn van 65 microgram/m3 NO2 langs de Coentunnelweg bij Zaandam (een overschrijding dus met 25 microgram/m3) dan voldoet de aanleg van de tweede Coentunnel aan de regelgeving als de concentratie met sint juttemis nog steeds niet meer is dan 65 microgram/m3. In de huidige wet milieubeheer treffen we deze bepaling aan bij art. 5.16 lid 1b.
Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit
Op 15 november 2007 is de Wet milieubeheer gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft artikel 5.12. over het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een plan waarin per agglomeratie bouwprojecten en luchtverbeteringsmaatregelen op elkaar zouden zijn afgestemd en wel zo, dat in 2011 (fijnstof) en in 2015 (N02) alsnog wordt voldaan aan de normen. Gemeenten kunnen bouwprojecten voor het NSL aanmelden. Voorziet het NSL in voldoende luchtverbeteringsmaatregelen dan voldoet het bouwproject daarmee aan de vereiste goedkeuring. Omdat in het NSL bouwprojecten en luchtverbeteringsmaatregelen op agglomeratieniveau op elkaar worden afgestemd, is er sprake van salderen op agglomeratieniveau. Dat betekent dat de overschrijding langs een drukke stadsweg in Utrecht-centrum gecompenseerd kan worden door een afname van de overschrijding in De Meern. Het NSL is niet voor beroep vatbaar. Dat betekent dat de burger niet door de bestuursrechter kan laten beoordelen of een project inderdaad voldoende wordt gecompenseerd door maatregelen.
Toepasbaarheidsbeginsel en blootstellingscriterium
Volgens de gewijzigde Wet milieubeheer geldt het toepasbaarheidsbeginsel. Dat houdt in dat op plaatsen waar mensen in de praktijk niet verblijven niet aan de normen hoeft te worden voldaan. Op de rijweg zelf hoefde al niet aan de norm te worden voldaan (arme automobilisten!) , dat hoeft dus ook niet meer op bermen en groenstroken langs een weg of op landbouwgronden en bossen in de directe omgeving van een weg. Daar verblijven immers als regel geen mensen.
Echter, ook als het om plaatsen gaat waar mensen wél verblijven hoeft niet aan de normen te worden voldaan (en getoetst) als de blootstelling "niet significant" is. De blootstelling is niet significant als die maar van korte duur is. In een voortuin langs een drukke weg wordt de blootstelling geacht niet significant te zijn omdat men daar hooguit een paar uur per dag verblijft. Hetzelfde geldt voor de fietser op een fietspad langs de rijweg of een voetganger op de stoep. Daar verblijft hij volgens de huidige regelgeving te kort om van een significante blootstelling te kunnen spreken. Daar hoeft dus ook niet meer gemeten, berekend of getoetst te worden.
Het toepasbaarheidsbeginsel en het blootstellingscriterium leiden er in veel gevallen toe dat het punt waarvoor de concentraties NO2 en fijnstof berekend moeten worden niet meer op afstand van 10 meter van de rand van de weg ligt (voor NO2 was dat dus aanvankelijk 5 meter!) maar op een afstand van > 30 meter van de rand van de weg. Neem bijvoorbeeld de Waterlinieweg die langs de oostkant van Utrecht loopt. Of je daar de concentratie berekent op 5 meter of van 30 meter scheelt 16 microgram/m3 NO2. Deze "verbetering" is dus toe te schrijven aan versoepeling van de regelgeving.
Conclusie
Volgens de oorspronkelijke regelgeving, de Europese Richtlijn 1999, moest overal in de buitenlucht aan de normen worden voldaan. Daarvan is dus niet veel meer over. Als in 2011 volgens de huidige regelgeving aan de fijnstofnorm wordt voldaan en in 2015 aan de norm voor NO2, betekent dat allerminst dat de lucht sinds 1999 schoner geworden is. Integendeel, de voorgeschreven wijze van rekenen is zodanig aangepast (versoepeld) dat er nog veel meer autoverkeer bij kan zonder dat de norm wordt overschreden. In 2003 (oude regelgeving) werd een NO2-concentratie berekend voor de Waterlinieweg (wegvak 14) van 64,2 microgram/m3 bij een intensiteit van 54000 mtv/etmaal. Volgens het Actieplan Luchtkwaliteit Utrecht 2008 kunnen daar in 2015 echter 100.000 mvt/etmaal rijden zonder dat de norm van 40 microgram/m3 wordt overschreden. Een prestatie van formaat. Het resultaat van 10 jaar luchtkwaliteitsbeleid is dat de groei van het autoverkeer in Nederland niet door luchtkwaliteitsnormen wordt gehinderd, zodat de stadslucht steeds smeriger wordt en het aantal kinderen met astma en het aantal verloren gezonde levensjaren in Nederland blijft toenemen.
december 04, 2010 10:46pm
Tijdens de eerste en de laatste keer dat ik een bijeenkomst bezocht van de Nederlandse Vereniging van Milieuprofessionals vertelde een jonge academica trots hoe zij er in was geslaagd om de luchtverontreiniging langs een drukke weg in Rotterdam, waarlangs veel mensen wonen en kinderen buitenspelen, met een slim rekenprogramma weg te rekenen. Eerst waren er nog vijf knelpunten, maar door het rekenprogramma iets anders in te stellen waren die knelpunten opgelost. Ik vind dat stuitend, maar de circa 100 aanwezige milieuprofessionals kennelijk niet, getuige het gegrinnik in de zaal. Ze herkenden zich kennelijk in het plezier waarmee het verhaal verteld werd.
Wie tref je nu aan op zo'n bijeenkomst van milieuprofessionals? Dat zijn ambtenaren werkzaam bij gemeentelijke en provinciale milieuafdelingen, milieuambtenaren werkzaam zijn bij VROM, medewerkers van commerciële adviesbureaus, medewerkers van het RIVM en TNO, in milieurecht gespecialiseerde advocaten, een eenzame medewerker van een GGD en een verdwaalde milieu-activist. Dat was ik dus. Mijn vraag aan de jonge academica of zij niet eigenlijk een staaltje ontduiking van de regelgeving weggaf werd duidelijk niet door de zaal gewaardeerd. Ook het betoog aan het eind van de bijeenkomst van de GGD-medewerker dat milieuprofessionals vooral niet moesten vergeten dat zij ooit milieukunde waren gaan studeren om aan de gezondheid van mensen bij te dragen, was niet echt wat de zaal horen wilde. Toen hij nog niet was uitgesproken was het al heel gezellig aan de bar. "De VVM zet zich in voor alle milieuprofessionals" staat er op hun site. Er staat niet dat het VVM zich inzet voor een beter milieu.
Op de site van VROM stond tot voor kort een leerzaam stukje, gepubliceerd op 29 november 2007: "Belangrijkste elementen nieuwe Richtlijn Luchtkwaliteit voor Nederland". VROM heeft het stukje om begrijpelijke redenen inmiddels van haar site verwijderd. Het was kennelijk alleen voor professionals bestemd en niet voor het argeloze publiek dat gelooft dat VROM zich inzet voor een beter milieu en daar handen vol belasting voor betaalt. Onder het subkopje 1.6 "Wat heeft NL in de onderhandelingen bereikt?" zou je op een site van VROM wat successen verwachten in de strijd tegen de luchtverontreiniging. Vergeet het maar. Nederland heeft in de EU-onderhandelingen bereikt, ik citeer:
"uitstel voor PM10 norm: i.p.v. in 2005 hoeft pas in 2011 hieraan worden voldaan
uitstel NO2 grenswaarde met 5 jaar (van 2010 naar 2015)
géén aanscherping PM2,5 norm tot een waarde onder de 25 µg/gram/m3
géén feitelijke aanscherping PM10 norm (zoals EP voorstelde)".
Het "EP" is het Europese parlement. Wat door VROM beschreven wordt als iets wat Nederland bereikt heeft (wat wil zeggen dat Nederland zich daarvoor heeft ingespannen) is uitstel en versoepeling van luchtkwaliteitsnormen die onze gezondheid moeten beschermen. Wie zo'n stukje op de site van VROM leest kan maar moeilijk geloven dat het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) bedoeld is om schadelijke stoffen als fijnstof en stikstofdioxide (NO2) terug te dringen. Dat is ook niet geval. Het NSL, ontwikkeld onder minister Cramer (PvdA), is ontwikkeld omdat de EU aan uitstel de voorwaarde verbindt dat er een plan wordt gemaakt om fijnstof en NO2 alsnog terug te dringen. Nou dat plan heeft de EU gekregen. Het bestaat uit twee documenten van samen 400 bladzijden en 39 bijlagen met rond de 3.000 bladzijden. Voer voor milieuprofessionals. En een plan waarbij de (wegen)bouw zijn vingers kan aflikken. De "monitoring" van het NSL is bedoeld om de EU wijs te maken dat er hard aan wordt gewerkt in 2011 resp. 2015 alsnog aan de normen voor fijnstof en NO2 te voldoen.
december 04, 2010 05:03pm
"Al decennia lang voorspellen pessimisten de verschrikkelijkste rampen. Maar tot nu toe is de mensheid die ontsprongen. Er is volop reden tot optimisme over de toekomst". Aldus Maarten van Rossem in zijn nieuwste glossy. Wie zoiets schrijft heeft het over het leven in het Wilhelminapark, de meest welgestelde wijk van Utrecht en verdient bovendien de reputatie niet een serieus historicus te zijn.
Waar zullen we beginnen? Bij de Eerste Wereldoorlog? Volgens Niall Ferguson in The Pity of War zou het gaan om ruim 35 miljoen militaire oorlogsslachtoffers. Het is waar, geen Nederlanders, maar toch.
Bij de Tweede Wereldoorlog? Het totale verlies aan mensenlevens wordt geschat op 72 miljoen, waarvan 25 miljoen militaire slachtoffers. Zullen we het hebben over mensen die door hun eigen dictatoriale regeringen werden vermoord? Volgens Bram de Swaan in de De Moord en de Staat zou het in de 20e eeuw daarbij gaan om 170 miljoen ongewapende en weerloze burgers. Zullen we het hebben over de ruim 1,2 miljard mensen die volgens de FAO in deze wereld leven onder de armoedegrens? Of zullen we het hebben over al die mensen zonder middelen van bestaan die aan de grens van Europa worden tegengehouden omdat wij onze welvaart niet willen delen? De historicus Johan Huizinga noemde de 20e eeuw "de bitterste aller tijden".
Arnoni beschrijft in "Het recht om pessimist te zijn" hoe hij op 2 mei 1945 door de geallieerden bevrijd werd uit het concentratiekamp, waar hij stervende was. Hoe hij aanvankelijk dacht dat de wereld iets geleerd zou hebben. Veertig jaar verstreken. De plaats van de vervolgde joden werd, schrijft hij, ingenomen door Viëtnamezen, Cambodjanen, Tamils, Centraal Amerikanen. Arnoni stierf in 1985, anders had hij daar nog de massamoord op de Tutsi's aan kunnen toevoegen, die in Screbenica, de "bevrijding" van Irak, de klimaatoorlog in Soedan en ga maar door. "Was het waard te overleven?" vraagt Arnoni zich tenslotte af. Zijn antwoord is ondubbelzinnig "Nee, het was niet waard de holocaust te overleven, want de mensheid heeft nauwelijks iets van de holocaust geleerd". Welke verschrikkelijke rampen zou de mensheid volgens Van Rossem eigenlijk ontsprongen zijn?
november 17, 2010 09:26am
De Rabobank heeft recentelijk een rapport uitgebracht met als titel "Demografische krimp". Wie beweert dat na-oorlogse woningen, waar bouwkundig niets aan mankeert, alleen maar gesloopt worden om economische redenen, wordt door het rapport volkomen in het gelijk gesteld. Terwijl woningzoekenden 6 tot 10 jaar op de wachtlijst staan voor een huurwoning, worden in Nederland op grote schaal goede en betaalbare huurwoningen gesloopt. Vreemd genoeg lopen daarbij PvdA-wethouders als Harrie Bosch (Utrecht) voorop en tekenen GroenLinks politici naar nauwelijks protest tegen aan.
In "Demografische krimp" wordt uitgelegd waarom de sloop van betaalbare woningen nodig is: "een zekere schaarste aan woningen moet tot stand worden gebracht" (blz. 80), anders daalt de waarde van het bezit van vastgoedeigenaren, woningcorporaties en beleggers. En wat nog erger is, is dat daardoor de bouwproductie stagneert. Immers, gebouwd wordt er alleen maar als daar goed aan verdiend kan worden, als je veel voor een nieuwe woning kan vragen. En wat helemaal erg is (maar dat staat natuurlijk niet met zoveel woorden in het rapport), is dat je voor een woning met een geringe marktwaarde weinig hypotheek nodig hebt en dat gemeenten dan geen torenhoge grondprijzen meer kunnen vragen.
De oplossing die de Rabobank aan de hand doet om "een zekere woningschaarste totstand te brengen" is om flink te gaan slopen, met name in de regio's waar geen groei meer plaatsvindt van het aantal inwoners en huishoudens. Overigens, het rapport becijfert dat er tot 2020 nog 574.000 huishoudens in Nederland bijkomen, maar die aanwas is kennelijk niet voldoende om het gewenste hoge niveau van woningnood te bereiken.
Kortom, een stug staaltje kapitalistisch denken. Laat het voor eens en altijd duidelijk zijn: het slopen van woningen, de zogenaamde herstructurering, dient maar één doel. Dat doel is, zoals de Rabobank openhartig schrijft, het tot standbrengen van "een zekere schaarste", zodat mensen 6 tot 10 jaar op een woning moeten wachten en bereid zijn krom te liggen voor een hypotheek of huur. Want dat is goed voor de bouwproductie, goed voor het rendement van vastgoedeigenaren en goed voor de gemeente die voor haar uitgaven in hoge mate van de opbrengst van grondprijzen afhankelijk is.
october 13, 2010 11:15pm
RIVM zeer kritisch over NSL monitoring
Omdat Nederland niet tijdig aan de normen voor fijnstof (2005) en NO2 (2010) kan voldoen, heeft de EU uitstel gegeven tot resp. 2011 en 2015. Op twee voorwaarden. De eerste voorwaarde was dat Nederland met een doortimmerd plan zou komen om die normen in 2011 en 2015 alsnog te halen. Dat plan zou het NSL moeten zijn (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit). De tweede voorwaarde was dat er regelmatig aan de EU zou worden gerapporteerd. VROM heeft daarvoor een monitoringsprogramma in elkaar gezet: gemeenten en provincies moeten elk jaar gegevens sturen naar het Bureau Monitoring (VROM), die vervolgens becijfert hoe het staat met de luchtverontreiniging in het hele land.
Aan het RIVM is gevraagd een oordeel te geven over dit monitoringsprogramma. De belangrijkste conclusie van het RIVM is dat aan de uitkomsten van de monitoring geen conclusies kunnen worden verbonden over de resultaten van het NSL. Binnenkort moet Nederland rapporteren aan de EU.
De kritiek van het RIVM betreft hoofdzakelijk de invoergegevens. Met het rekenprogramma dat door het Bureau Monitoring wordt gebruikt is niks mis, maar de betrouwbaarheid van de rekenresultaten hangt niet alleen af van het rekenprogramma. Essentieel is de juistheid van de invoergegevens. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen generieke- en lokaal specifieke invoergegevens.
Generiek zijn de emissies per voertuig waarmee gerekend wordt en de achtergrondconcentratie. Luchtverontreiniging wordt, omdat die zo sterk met autoverkeer samenhangt, per straat berekend. Daartoe worden de concentraties fijnstof en NO2 berekend die in een straat door het verkeer in die straat worden veroorzaakt (de zogenaamde lokale bijdrage) en opgeteld bij de achtergrondconcentratie.Ook als er in een straat geen autoverkeer is zal er namelijk fijnstof en NO2 in de lucht zitten, de met fijnstof en NO2 verontreinigde lucht ligt namelijk als een deken over de stad heen.
De achtergrondconcentratie is gebaseerd op een schatting van alle bronnen (auto's, schepen, fabrieken, huishoudens, treinen, agrarische bedrijven) per vierkante 5 km, vermenigvuldigd met een schatting van hun gemiddelde emissie. Deze twee schattingen leveren een onzekerheid op die door het RIVM geraamd wordt op 5-10 microgram/m3 PM10 en 6-12 microgram/m3 NO2. Dat is nogal wat als je bedenkt dat de norm 40 microgram/m3 is.
In 2010, schrijft het RIVM op blz. 14, "heeft een combinatie van veranderingen in emissieschattingen en aanpassingen in enkele rekenwijzen tot een zeer aanzienlijke toename van het aantal grenswaardenoverschrijdingen geleid". In maart 2009, schrijft het RIVM op blz. 42, "bleek er voor de dieselvoertuigen circa 40% onderschatting van de NOx-emissies en circa 25% van de NO2-emissies". Wanneer de feitelijke emissies van voertuigen in 2015 20% hoger liggen dan de emissies waar de monitoring van uitgaat, zal het aantal overschrijdingskilometers op het hoofdwegennet 60% hoger blijken te liggen en op het onderliggend wegennet (= het wegennet dat niet tot dat hoofdwegennet hoort) circa 270% hoger. Tot zover de onzekerheid die gemoeid is met de generieke invoer.
Overigens: emissies waarmee gerekend moet worden, worden door VROM vastgesteld en zijn vooral gebaseerd op schattingen omtrent het effect van voorgenomen maatregelen, die achteraf vaak blijken niet door te gaan of te worden uitgesteld (tot sint juttemis). Zoals bijvoorbeeld de kilometerbeprijzing.
Lokale invoergegevens (ofwel lokatie specifieke invoergegevens) zijn de gegevens die de wegbeheerders (rijkswaterstaat, provincies en gemeenten) naar het Bureau Monitoring sturen. Die worden volgens het RIVM niet door het Bureau Monitoring op hun juistheid gecontroleerd. Het betreft invoergegevens als lokale verkeerscijfers, lokale (weg)kenmerken en informatie over maatregelen. De juistheid deze invoergevens wordt geacht de verantwoordelijkheid te zijn van lokale overheden die ze aanleveren. Het RIVM heeft geen zicht op de juistheid van deze invoergegevens. Doordat de juistheid van de door lokale overheden verstrekte invoergegevens niet objectief valt vast te stellen "kunnen in de monitoring van het NSL geen conclusies aan deze resultaten worden verbonden" (blz. 11).
Noot van mijn kant: vóór de invoering van het NSL en de monitoring door VROM gebruikten rijkswaterstaat, provincies en gemeenten voor hun jaarrapportages invoergegevens die hun het beste uitkwamen. Sinds de invoering van het NSL en de VROM monitoring sturen rijkswaterstaat, provincies en gemeente de invoergegevens die hun het beste uitkomen naar het Bureau Monitoring van VROM, die ze klakkeloos overneemt en verwerkt. Met andere woorden, rijkswaterstaat, provincies en (vooral) gemeenten kunnen er nog steeds op los sjoemelen. Het is zelfs stukken makkelijker geworden, omdat het NSL niet voor beroep vatbaar is. De gemeente hoeft een project maar voor het NSL aan te melden en de burger krijgt bij de bestuursrechter/raad van state te horen, dat de effecten van het project niet getoetst hoeven te worden. Evenmin hoeft beoordeeld te worden of het NSL inderdaad voldoende compenserende maatregelen bevat. M.a.w. de gemeente hoeft niet bang te zijn dat het Bureau Monitoring (VROM) haar invoergegevens controleert én hoeft ook niet meer bang te zijn dat lastige burgers dat doen. Het gesjoemel kan dus alleen maar nog veel erger worden.
De monitoring blijkt dus een grote farce te zijn.